JEG 2005-2006

Jaarboek voor Ecologische Geschiedenis

2005-2006

COPYRIGHT © | ALL RIGHTS RESERVED

Hilde Greefs & Marjolein ‘t Hart (Guest editors)

Water Management, Communities, and Environment. The Low Countries in Comparative Perspective, c. 1000 – c. 1800

 

[Waterbeheer, gemeenschappen en de natuurlijke omgeving. De Lage Landen in comparatief perspectief, c. 1000 – c. 1800]

 

Editorial Preface

 

Martin Reuss

Introduction to the special issue on water management, communities, and environment

 

[Inleiding tot het themanummer over waterbeheer, gemeenschappen en de natuurlijke omgeving]

De Noordzee vormde een voortdurende dreiging voor de kustgebieden in de Lage Landen. Er heerste niet enkel overstromingsgevaar; de dreiging werd nog versterkt door de turfwinning en door de bodemdaling van de veenachtige gronden. De vraagstelling van deze bundel richt zich op de verhoudingen tussen de lokale gemeenschappen, de milieuproblematiek en de economische omstandigheden en op de oplossingen die aangedragen werden voor de problemen die ontstonden op het gebied van het waterbeheer. Daarbij dragen de auteurs bij tot een herziening van het traditionele beeld van de historiografie, dat teveel aandacht besteedt aan de verstedelijkte samenleving. Immers, de ontwikkelingen op het platteland waren van cruciaal belang voor de Nederlandse samenleving. Het ingrijpen van de mens op zijn omgeving door de introductie van nieuwe technieken om het land terug te winnen en door verbeteringen aan te brengen aan het waterbeheer hadden belangrijke economische en – soms ook ongewenste - ecologische gevolgen. De auteurs in deze bundel vormen een genuanceerd beeld van de complexe relatie tussen mens en natuur tijdens de Middeleeuwen en de Nieuwe Tijden. Ze geven een beeld van een agrarische samenleving die sociaal en technologisch meer dynamisch is dan men vaak heeft vermoed. Daarbij hebben zij niet enkel oog voor de veranderingen in de omgeving tengevolge van het menselijke ingrijpen, maar ook voor de verschillende partijen – de landeigenaars, de lokale gemeenschap en verschillende organen van waterbeheer - die bij het besluitvormingsproces betrokken waren. De rol van de turfwinning is daarbij een onderwerp waar buitenlandse specialisten nog weinig weet van hebben. Turf was onmisbaar voor de groei van de economie als bijzonder handige en goedkope energiebron voor huishoudens en industrie. Maar turfwinning had een onbedoeld gevolg voor het milieu: bodemdaling en –erosie waardoor het waterbeheer een problematisch karakter kreeg. De oplossingen voor deze milieu-problematiek verschilden sterk per gebied en per tijdvak. Dit was vooral een gevolg van dynamische besluitvormingsprocessen in een sterk gedecentraliseerde staat. De lokale sociale en politieke verhoudingen waren daarbij vaak doorslaggevend voor het eindresultaat. De bijdragen in de bundel vertegenwoordigen zo recente trends in de historiografie. De auteurs stellen daarbij nieuwe vragen aan het bijzonder rijke archiefmateriaal.

 

Andrew Wareham

Water management and the economic environment in Eastern England, the Low Countries and China c. 960-1650: comparisons and consequences

 

[Waterbeheer en het economische milieu in Oost-Engeland, de Lage Landen en China, circa 960-1650: vergelijkingen en gevolgen]

Samenvatting Impliciet wordt vaak aangenomen dat waterbeheer het gevolg was van ecologische crises. De auteur laat zien dat gemeenschappen in China, de Lage Landen en in het oosten van Engeland zich zowel door milieuaspecten als door economische overwegingen lieten leiden. Zijn vergelijking brengt naar voren dat investeringen in waterbeheer de economische groei bevorderden. Hij onderbouwt zijn stelling door verslag te doen van zijn archiefonderzoek in de Oost-Engelse Fenlands in de Middeleeuwen en in Soham, Cambridgeshire, in de 17de eeuw. Specifiek voor de Engelse casus is de sterke traditie van gemeenschapsrechten op de grond, wat droogleggingen regelmatig bemoeilijkte. In de natte Fenlands bestond de dorpsgemeenschap uit middelgrote boeren, in tegenstelling tot de hogere landbouwgronden waar grote landeigenaars domineerden met een relatief groot aantal loonafhankelijke boeren. Het systeem van waterbeheer werd bepaald door de milieuomstandigheden en door de lokale sociale en politieke verhoudingen. De nieuwe waterwegen en dijken vormden een onderdeel van een uitgebreid transportnetwerk dat de sociale en economische omstandigheden van lokale gemeenschappen sterk beïnvloedde. Gebieden met voorheen een onvruchtbaar aanzien veranderden in rijke landbouwgronden en de handel en migratie namen toe. De interactie tussen de staat, de investeerders en de lokale gemeenschappen leidde tot oplossingen die uiteindelijk ook de economische ontwikkeling weer ten goede kwamen. Bij het uitbouwen van een effectief waterbeheer was het bovendien noodzakelijk de steun en de medewerking te krijgen van de lokale gemeenschap. Aan het einde van het artikel laat de auteur zien dat zijn bevindingen ook voor de hedendaagse problematiek van waterbeheer in ontwikkelingslanden van belang kunnen zijn. Tegen de achtergrond van de klimatologische veranderingen en van de menselijke tragedies veroorzaakt door zowel overstromingen als droogte pleit de auteur voor een flexibel waterbeheer dat rekening houdt met milieueffecten en met de betrokken gemeenschappen.

 

Tim Soens

Explaining deficiencies of water management in the late medieval Flemish coastal plain, 13th-16th centuries

 

[Falend waterbeheer in de laatmiddeleeuwse Vlaamse kustvlakte (13de-16de eeuw): aanzet tot een sociaal-economische verklaring]

De ecologische geschiedenis van de laatmiddeleeuwse Vlaamse kustvlakte wordt gekenmerkt door een problematische relatie van de mens met zijn natuurlijke omgeving. Hoewel al voor het einde van de 13de eeuw een geperfectioneerd en vooruitstrevend waterbeheersingsysteem tot stand was gekomen, kon niet verhinderd worden dat in de loop van de late middeleeuwen duizenden hectaren landbouwgrond verloren gingen door overstromingen en duinverstuiving. In dit artikel tracht de auteur we aan te tonen dat dit schijnbare falen van het waterbeheer niet los kan worden gezien van de belangrijke transformatie die de landbouweconomie in de kustvlakte onderging vanaf de late 13de eeuw. Parallel aan de achteruitgang van het voorheen dominante eigengeërfde boerenbedrijf en de opkomst van grote commerciële pachtbedrijven in handen van grotendeels buiten het gebied woonachtige eigenaars, wijzigde ook het waterbeheer. Zowel de organisatie, de dagelijkse werking als het beleid van de ‘wateringen’, die vanaf het eindvan de 13de eeuw verantwoordelijk waren voor de meeste waterstaatswerken, weerspiegelden de gewijzigde maatschappelijke verhoudingen. Terwijl inkomensstrategieën van grootgrondbezitters leidden tot een beperking van de investeringen, werd het dagelijkse bestuur van de wateringen in de eerste plaats een factor van machtsverwerving in de lokale dorpsgemeenschap. Wijzigende arbeidsverhoudingen in het waterbeheer benadeelden op hun beurt de kleine grondbezitters, voor wie de waterstaat meer en meer een bijkomende last werd. Door het waterbeheer op deze wijze te benaderen vanuit de regionale machts- en eigendomsverhoudingen, kan ons inzicht in de ecologische dynamiek van de kustvlakte aanzienlijk toenemen.

 

Milja van Tielhof and Petra van Dam

Losing land, gaining water. Ecological and financial aspects of regional water management in Rijnland, 1200-1800

 

[Landverlies en waterwinst. Ecologische en financiële aspecten van regionaal waterbeheer in Rijnland 1200-1800]

In de landschapsgeschiedenis van Holland speelt turfwinning, of vervening, een zeer grote rol. Gronden werden door vervening dermate aangetast dat zij over het algemeen niet meer agrarisch konden worden gebruikt. Vanaf de 16de eeuw werd zelfs een methode toegepast (het slagturven) waarbij de hele metersdikke veenlaag werd afgegraven zodat land veranderde in een waterplas. In de historiografie bestaat vaak de neiging om landverlies als iets negatiefs te beschouwen. In die visie zou de uitbreiding van de veenplassen als een ecologische ramp zijn te beschouwen. In dit artikel benaderen de auteurs landverlies neutraal en stellen de vraag welke gevolgen de turfwinning voor het waterbeheer had. De bestudeerde regio is het hoogheemraadschap van Rijnland, gelegen in centraal Holland. Hoofdthema’s zijn de gevolgen van de turfwinning voor het fysieke waterbeheer enerzijds en voor de financiering van het waterbeheer anderzijds. Het fysieke waterbeheer blijkt geprofiteerd te hebben van de landvernietiging in die zin dat er meer ruimte ontstond voor waterberging. De grote bergingscapaciteit van het Grote Haarlemmermeer had als gevolg dat het waterpeil minder snel problemen opleverde en het hoogheemraadschap minder geld hoefde te investeren in uitbreiding van de uitwateringsmogelijkheden. De gevolgen van de turfwinning voor de financiering van het waterbeheer bleken slechts beperkt te zijn. Dit konden de auteurs vaststellen dankzij onder meer een grondige analyse van de vermindering van het belastbare oppervlak waarover Rijnland zijn kosten omsloeg. De afname hiervan in de loop der eeuwen was gering. In het artikel worden verschillende verklaringen daarvoor aangedragen. Een belangrijke institutionele verklaring was het waarborgsysteem dat Rijnland in samenspraak met de gewestelijke overheid ontwikkelde. Verveners moesten een waarborg aanwijzen wanneer zij land wilden vergraven, eerst in de vorm van vruchtbaar land, en later in de vorm van een waarborgsom naar rato van de gewonnen turf. Opvallend genoeg waren de ecologische gevolgen van turfwinning dus groter dan de fiscale. Het artikel toont de grote institutionele kracht van het waterbeheer in deze periode aan.

 

Charles Cornelisse

The economy of peat and its environmental consequences in Holland during the late Middle Ages

 

[De economie van turf en de gevolgen voor het milieu in Holland in de late Middeleeuwen]

Vanaf de 14de eeuw was turf de belangrijkste brandstof in Holland. Door de grote verstedelijking en de toenemende industrialisatie nam de behoefte aan brandstof snel toe. In de 16de eeuw werd 85 tot 90% van de energiebehoefte door turf gedekt, de rest betrof voornamelijk hout, wat steenkolen en een weinig houtskool. Het energieverbruik in Holland in de 15de en 16de eeuw werd geschat via twee verschillende methodes resulterend in een aanzienlijk verbruik van circa 14 gigajoules per capita. Er zijn geen vergelijkbare waarden voor die tijd uit andere landen beschikbaar. Het industriële verbruik wordt geschat op 50 tot 70% van de totale energieconsumptie en dat van huishoudens en instellingen samen op 30 tot 50%. In de zeventiger jaren van de 16de eeuw lijkt het energieverbruik wat af te nemen, mogelijk door een relatieve toename van de handelsactiviteiten, een relatieve afname van energie-intensieve industrieën, een grotere belangstelling voor energiebesparende uitvindingen en een wat teruglopende conjunctuur. Tegen het einde van de 15de eeuw waren de veenvoorraden boven de waterspiegel in het hart van Holland voor het grootste deel uitgedolven. Jaarlijks werd tussen de 220 en 440 hectaren aan veen afgegraven. In de loop van de 16de eeuw werd turf voornamelijk door slagturven gewonnen, door het baggeren van veen onder de waterspiegel, waardoor waterplassen ontstonden. Ondanks bezwaren van hoogheemraden en sommige stadsbesturen ging het baggeren op dezelfde voet voort. Per jaar werd circa 115 tot 230 hectaren land prijs gegeven aan het water. Ruwweg 20% van de geproduceerde turf in Holland werd rond 1570 geëxporteerd naar Brabant en Vlaanderen. Tegelijkertijd werd turf ook geïmporteerd uit Overijssel en Utrecht. Ondanks grote druk om de uitvoer te verbieden en het veen te behouden voor eigen inlands gebruik kwam dat verbod er niet. De centrale overheid probeerde de export te verminderen door een exportbelasting, de impost, in te stellen. Ondanks diverse verhogingen van het imposttarief nam de export niet af. De lobby voor het turfbedrijf was blijkbaar krachtiger dan die van de tegenstanders van het ontgronden. De opkomst van de droogmakerijen in de tweede helft van de 16de eeuw heeft mogelijk de steun voor het slagturven versterkt. Zowel voor het platteland als voor diverse belanghebbende steden was het turfbedrijf uiterst lucratief en economisch interessanter dan het uitoefenen van landbouw op de verdolven veengronden. Voor de plattelandseconomie was deze bedrijfstak van aanzienlijk belang.

 

 

Piet van Cruyningen

Profits and risks in drainage projects in Staats-Vlaanderen, c. 1590-1665

 

[Winst en risico bij inpolderingen in Staats-Vlaanderen, ca. 1590-1665]

Tussen 1590 en 1665 werd in de Republiek meer dan 125.000 hectaren land aangewonnen. Dat betekende een enorme inspanning, die tot de 20ste eeuw ongeëvenaard zou blijven. Aan de financiële kant van deze golf van inpolderingen en droogmakerijen is lange tijd weinig aandacht besteed. In dit artikel wordt getracht hierin meer inzicht te verschaffen door de financiering van bedijkingen in Staats-Vlaanderen te onderzoeken. Het blijkt dat in Staats-Vlaanderen in de periode 1590-1665 in totaal 12-15 miljoen gulden werd geïnvesteerd in het bedijken en in cultuur brengen van ongeveer 39.000 hectaren land. Het ging hier om riskante ondernemingen die tot grote verliezen konden leiden door natuurrampen, militaire inundaties of confiscatie. Verliep de inpoldering echter volgens plan, dan konden aanzienlijke rendementen worden behaald door verkoop of verpachting van het gewonnen land. Belangrijk voor het succes van vele inpolderingen was het optreden van de overheid. Voor elke bedijking was een octrooi van de Staten-Generaal vereist. Bij de octrooiverlening werd rekening gehouden met de belangen van aangrenzende polders en nederzettingen. Ook werden voorschriften gegeven voor het bestuurvan de polder en werd deze voor een aantal jaren vrijgesteld van belastingen. Door het octrooi werd de inpoldering dus voorzien van een juridisch raamwerk dat veel problemen voor de investeerders hielp voorkomen, terwijl de belastingvrijstelling investeringen in landwinning stimuleerde. De nauwe banden tussen de politieke en de commerciële elite van de Republiek zullen bijgedragen hebben aan de positieve rol van de generaliteit bij de inpolderingen. De bedijkingen werden gefinancierd door groepen investeerders die samenwerkten in compagnieën. Evenals bij de partenrederij kon men een aandeel in een bedijkingscompagnie nemen dat vererfbaar en vervreemdbaar was. De aansprakelijkheid was echter niet beperkt. De investeerder moest zijn aandeel in de kosten van de bedijking betalen, ook als die veel hoger uitvielen dan begroot. Toch boden de compagnieën de mogelijkheid om de risico’s te verkleinen doordat de investeerder zijn kapitaal kon spreiden over verschillende projecten. Een deel van de investeerders verkocht de grond al snel na de bedijking. Anderen deden een lange termijn investering en verpachtten hun grond. Uiteindelijk bleef het grootste deel van het land in de nieuwe polders eigendom van stedelijke investeerders, vooral uit de Zeeuwse hoofdstad Middelburg. Dat deze investeringen zouden duiden op aristocratisering van de Middelburgse elite, zoals wel beweerd is, is twijfelachtig. Eerder lijkt er sprake te zijn van aanpassing aan veranderingen in de regionale economie, waarbinnen het belang van handel en scheepvaart relatief afnam ten gunste van dat van de landbouw.

 

Alfons Fransen

Sharing the responsibility of ecological change. The case of the Diemerdijk, 1670-1770

 

[Participeren in de kosten van milieuverandering. De casus van de Diemerdijk, 1670-1770]

In de periode 1670-1770 was er een verhoogd risico van dijkdoorbraken. Deze situatie was volgens de historiografie vooral het gevolg van onvoldoende aanpassing in de formele beheers- en financieringsafspraken aan de ecologische ontwikkelingen in de periode daarvoor. De Diemerdijk is hiervan een goed voorbeeld. Door politieke tegenstellingen tussen de soevereine provincies Holland en Utrecht was aanpassing in de financiering onmogelijk. Het onderzoek naar de financiële praktijk met betrekking tot de Diemerdijk levert nieuwe inzichten in het werkelijke financiële risico en de informele regelingen. In de periode van de 9de tot de 15de eeuw breidde de Zuiderzee zich voortdurend uit. De zuidgrens werd al enige tijd beschermd door een dijk, die werd onderhouden door dijkplichtige ingelanden. Voor de overige kosten werd een veel grotere groep belanghebbenden aangesproken. Waalplichtigen waren verantwoordelijk voor herstelwerkzaamheden na een doorbraak, de kosten van het algemeen beheer en de kosten gerelateerd aan de spadegestoken dijkvakken. In de periode 1675-1735 stegen de kosten sterk, terwijl bekend is dat de pachtwaarde daalde. De Staten van Holland en de stad Amsterdam stelden veel belang in een goed onderhoud van de Diemerdijk. Herhaaldelijk werden structurele oplossingen voorgesteld, maar deze werden niet aanvaard door de provincie Utrecht. Het (waalplichtige) Utrecht bleef van mening dat gewoon onderhoud voor rekening moest blijven van het (dijkplichtige) Holland. Eenzijdig werd de Hinderdam afgebroken en een nieuwe sluis in de monding van de Vecht aangelegd. Hierdoor werd de zeedijk ruim 5400 roede korter. Holland en Amsterdam traden krachtdadig op bij grote schade. Financiering van de schade was geen probleem dankzij Amsterdamse voorfinanciering. De herstelkosten na een dijkdoorbraak kwamen uiteindelijk voor rekening van de Staten van Holland. Na 1750 kwam hier verbetering in en bleek het mogelijk een deel van de verlaten landen te verkopen. Intussen was toen het paalwerk vervangen door een stenen glooiing als gevolg van de paalworm. Die was duur in aanleg, maar bleek goedkoper in onderhoud. Ook werd het onderhoud informeel toevertrouwd aan het Hoogheemraadschap. De kosten van gewoon onderhoud werd omgeslagen over elk van de zes parken. Dit leverde een minder hoog financieel risico op, ook al waren de verschillen tussen de parken aanzienlijk.

 

Siger Zeischka

Dealing with diversity: small-scale dikes in early modern Rijnland, 17th-early 19th century

 

[Omgaan met diversiteit. Kleinschalige dijken in vroeg-modern Rijnland, 17de-vroege 19de eeuw]

In dit artikel wordt onderzocht welke factoren ertoe hebben bijgedragen dat lokale waterschappen (polders) op éénzelfde landschappelijke uitdaging heel verschillend konden reageren. Meer bepaald concentreert deze bijdrage zich op enkele Rijnlandse polders in de 17de en 18de eeuw die alle in de invloedsfeer van het Haarlemmer- en het Brasemermeer lagen en daar nadelige gevolgen van ondervonden. Hoe langer hoe meer immers steeg het peil in deze twee meren die tot de kern van het Rijnlandse boezemstelsel behoorden. Door de stijging, waaraan zowel natuurlijke als menselijke en regionale als lokale factoren aan de basis lagen, kwamen de lokale waterkeringen onder druk te staan. Bovendien vergrootte de boezem omdat de veenachtige oeverlanden afspoelden terwijl turfwinning in de polders zelf ook nefaste gevolgen voor de waterkering had. Een drietal casussen worden belicht om de vraag naar de oorzaak van de verschillende reacties te beantwoorden. De betreffende polders zijn zo gekozen dat de selectie geografische, sociale, economische, institutionele waterstaatstechnische diversiteit bevat. Dat maakt een optimale vergelijking mogelijk. Tegen de achtergrond van de steeds groter wordende uitdagingen wordt in de eerste plaats de ontwikkeling van de waterkering van de casussen bekeken. De klemtoon ligt enerzijds op technische aspecten van de waterkering zelf en anderzijds op onderhoudspraktijken. Een tweede insteek onderzoekt de rol van het regionale waterschap, het Hoogheemraadschap van Rijnland, dat zich in de 18de eeuw nadrukkelijker manifesteerde wanneer bepaalde zaken in de polder het centrale boezembeheer raakten. De bevindingen tonen in de eerste plaats de karakteristieken van de techniek in elke polder aan: niet alleen trad nu eens wel, dan weer geen innovatie op, de wijze en het moment waarop technische verbeteringen ingang vonden verschilden al evenzeer. Voor de verklaring van die divergerende trends kunnen meerdere oorzaken aangewezen worden. Samenvattend komt het erop neer dat de benodigde innovaties slechts gerealiseerd konden worden, wanneer aan drie noodzakelijke voorwaarden was voldaan. In de eerste plaats moest zich een gelegenheid voordoen die de introductie van innovatie mogelijk maakte. Ten tweede mochten zich geen institutionele belemmeringen voordoen. Tot slot kon technische vooruitgang slechts geboekt worden indien alle betrokken belangengroepen tot een consensus kwamen.